Tuesday, January 31, 2006

 

Thuisbioscoop

Michals vriend Láďa groeide op in een streng adventistengezin. Net als voor de andere leden van dit kerkgenootschap waren varkensvlees, alcohol en tabak bij hem thuis streng verboden. Ook televisie kijken werd als een verderfelijk tijdverdrijf beschouwd. Behalve streng gelovig, waren vader en moeder I. ook grote muziekliefhebbers. Van de kinderen werd dan ook verwacht dat zij hun leven aan de muziek zouden wijden en vooral Láďa bleek talent te hebben. Op zijn vijftiende had hij al meerdere malen solo gespeeld met een Zwitsers orkest in Zürich. Maar verplicht zes uur per dag cello spelen was een zware opgave.

Op hun twaalfde ontdekten Michal en Láďa de fotografie. In de kelder van hun flat richtten ze een donkere kamer in, waar ze helemaal op eigen houtje zwartwitfoto's af leerden drukken. Láďa's ouders waren er snel achter dat hun zoon zijn kostbare tijd verspilde en moeder stuurde vader regelmatig naar de kelder om Láďa naar boven te halen. Bijbel lezen en cello spelen waren de enige zaken waar hij mee bezig diende te zijn.

Jaren later – Láďa had het conservatorium niet afgemaakt en werkte samen met Michal als fotograaf. De relatie met zijn ouders had tijden op een laag pitje gestaan. Heel voorzichtig echter kwam er enige verandering in hun starre houding. Op een gegeven moment kwamen ze zelfs met het verpletterende bericht dat ze een televisie gingen kopen. Uiteraard alleen om serieuze programma's te kunnen bekijken.

Vader en moeder stapten dus in hun oude Lada en reden naar een enorm winkelcentrum even buiten Praag. Toen ze de rijen auto's zagen die op een parkeerplek wachtten, zonk de moed hun in de schoenen en maakten ze rechtsomkeert. Dan maar liever naar een wat kleinere electrawinkel in de stad. Na veel wikken en wegen kozen ze een onopvallend klein televisietoestel uit en togen naar de kassa. Tot hun verbazing stond het personeel hen daar op te wachten met een grote bos bloemen en de verheugende mededeling dat ze de honderdduizendste klant waren. En hun beloning? Een thuisbioscoop, helemaal gratis en voor niets. Met een dikke knipoog van het toeval.

Sunday, January 22, 2006

 

Leven met HIV

“Mijn geboorte was een grote vergissing”, zei Vladimír tegen me. Een uitspraak die niet bepaald rijmde met zijn zonnige humeur, maar wel met zijn levensverhaal. Ik leerde hem kennen tijdens een weekendje Engeland met vrienden. Onze levens bleken niet veel meer gemeen te hebben dan dat we allebei in Praag wonen, maar het was één van die zeldzame ontmoetingen waarbij je direct een grote zielsverwantschap met iemand voelt.

Vladimírs moeder was een Tsjechische, zijn vader een Hongaarse zigeuner. Toen zijn oma hem voor het eerst aanschouwde, riep ze vol afschuw uit: “Maar hij is zwart! Dat kan toch geen kind van ons zijn!” Het huwelijk van Vladimírs ouders hield niet lang stand. Zijn moeder hertrouwde met een alcoholist die er sterk racistische meningen op na hield en daar niet geheimzinnig over deed. Hij bezorgde zijn stiefzoon meerdere keren een gebroken neus, om maar wat te noemen. Op zijn vijftiende vertelde Vladimír zijn ouders dat hij zich aangetrokken voelde tot jongens en dat deed de deur dicht. Letterlijk. Vanaf dat moment leefde hij op straat.

Hoe overleef je tien jaar weer en wind zonder dak boven je hoofd? Er zijn er maar weinig die dat volhouden zonder de hulp van verdovende middelen. Na zes jaar pervitine en heroine hoorde Vladimír dat de persoon die hem een injectienaald leende besmet was met het HIV-virus. Hij ging naar het ziekenhuis voor een test. Een week later, terwijl hij met nog zes andere jongens op een zaal lag, kwam de dokter even binnenlopen om op onverschillige toon een berichtje door te geven: “Meneer Kováč, u bent HIV-positief.” Vladimír werd aan zijn lot overgelaten in een eenzaam kamertje. “Als je niet onmiddellijk afkickt, ben je er binnen een half jaar geweest”, kreeg hij na verloop van tijd te horen.

Vladimír is inmiddels vijf jaar van de drugs af en besloot zijn leven zin te geven door jongeren over zijn ziekte te vertellen. Hij reist het hele land af om middelbare scholen te bezoeken en vertelt op een ontwapenende, luchtige manier over zijn lot. De ergste details laat hij liever weg en dat heb ik hier ook maar gedaan. “Je kunt twee dingen doen met je leven”, luidt zijn devies. “Of je leeft voor jezelf en je eigen plezier, of je probeert iets achter te laten waar anderen wat mee kunnen.” Zijn keuze is duidelijk. Hij heeft zich verzoend met zijn lot en het enige wat hij hoopt, is dat er iemand bij zijn bed zal zitten als het echt zwaar gaat worden. En nog één ding. Dat als de jongeren die hij ontmoet ooit zelf een kind zullen hebben dat uitkomt voor zijn homosexualiteit, ze het niet op straat zullen zetten.

Tuesday, January 17, 2006

 

Varkensslacht

Het leek wel of ik als stadsmeisje uit West-Europa eens flink op de proef gesteld moest worden. Ik was nog geen twee maanden in Tsjechië of werd al tot tweemaal toe uitgenodigd voor een varkensslacht. De eerste keer nog gewoon als toeschouwer van het traditionele familieritueel, maar twee weken later, in een klein dorpje aan de Poolse grens, werd het menens. Om zes uur opstaan om in het pikkedonker een aardig eind te lopen naar het varkensverblijf. Aan mij de eer om één van de twee nog vrolijk knorrende beesten als slachtoffer aan te wijzen. Toen varken en slager beiden op het erf van de familie Toušek waren gearriveerd, kon het echte werk beginnen. De slager schoot het beest tussen de ogen en sneed hem de keel door. Mij wachtte wederom een verantwoordelijke taak. Ik moest het bloed van het nog stuiptrekkende varken opvangen in een bak. Daarna volgden de gebeurtenissen elkaar snel op. Slok drank, varken opgehangen, slok drank, met een mes het haar van de huid afgeschraapt, slok drank, buik opengereten, slok drank, ingewanden eruit gehaald, slok drank, en ga zo maar door. Later, terwijl ik worstjes stond te draaien, kieperde Václav Toušek het bloed van het beest, gort en nog wat andere niet nader te definiëren ingrediënten in het badje waar hij ooit als kind zelf nog in had liggen spartelen. Ondertussen bleef de drankfles met zelf- gestookte pruimenbrandewijn natuurlijk niet onaangeroerd. Moe van alle slachters- werkzaamheden in de schuur en de keuken, schoven we tegen het einde van de middag aan tafel. Allerlei varkensdelicatessen, waarvan ik nu dus precies wist wat er allemaal in zat, passeerden de revue. Toen ik de volgende dag naar het station toog, kreeg ik nog een zakvol worstjes mee. Die bracht ik dan maar naar vrienden in Brno. Het was een geweldige ervaring geweest, maar mijn behoefte aan varkensvlees heeft sindsdien nog een tijdlang op een laag pitje gestaan.

Thursday, January 05, 2006

 

Onder één dak

Aan de rand van het dorpje Česká, even buiten Brno, stond de oranje blokkendoos van de familie Tesař. Begin jaren tachtig hadden ze het het huis met het hele gezin eigenhandig gebouwd. Dat had veel bloed, zweet en bij de kinderen vooral tranen gekost. Andere kinderen gingen met pa en ma in het bos wandelen, zij moesten altijd helpen met metselen en timmeren. Toen ik er voor een tijdje in een kamertje in het souterrain kwam wonen, was de blokkendoos al jaren af. Pa en ma Tesař woonden op de eerste verdieping, dochter Lenka en schoonzoon Honza met hun twee dochtertjes op de tweede. En zoon Petr was blij dat hij eindelijk rust had in de flat waar ze ooit met het hele gezin in Brno hadden gewoond.

Al vrij snel werd duidelijk ze mij de woonruimte niet alleen uit behulpzaamheid hadden aangeboden, maar vooral vanuit een dringende behoefte aan een luisterend oor. Als ik thuis kwam, kwam mevrouw Tesařová me altijd even blij vertellen dat ze de verwarming in mijn kamer lekker had opgestookt (tot de ondraaglijke hitte van zo'n 27ºC). En passant deed ze dan verslag van haar werk in de kantine waar ik weleens kwam eten. Of vertelde me over strubbelingen met dochterlief over de opvoeding van de kleinkinderen.

Dochter Lenka kwam ik tegen als ze de was ophing in de wasruimte in het souterrain. “Mijn moeder is een best mens, hoor,” vertrouwde ze me toe, “maar die verzamelwoede van haar, daar word ik soms helemaal gek van. Kom maar eens mee.” Achter het gordijn in het rommelhok bevond zich een enorme stellage met tientallen paren damesschoenen. “Dit zijn alle schoenen die ze haar hele leven heeft gedragen. En kom ook eens boven kijken. Bij mij op de gang staat het verzamelde werk van Jirásek dat ze ooit kocht, maar waar ze zelf geen plaats meer voor had. Niet dat ze er ook maar één boek van gelezen heeft.”

Schoonzoon Honza kwam regelmatig naar beneden om een sigaretje op te steken. “Ik ben het zwarte schaap van de familie. De enige die rookt.” En daarop volgde in sappig dialect het relaas van zijn ontslag bij de supermarkt en zijn nieuwe werk als beveiligingsbeambte. “Ja, niet echt een superbaan, hè? Ben benieuwd wat mijn schoonouders ervan zullen vinden.”

Pa Tesař had een goede baan bij de Tsjechische Rijkswaterstaat, waar hij graag over vertelde, en een geweldige hobby. Op een avond werd ik boven uitgenodigd, waar ik niet alleen overladen werd met eten en drinken, maar ook de zeer uitgebreide collectie reisfolders van de heer des huizes mocht bewonderen. Ik snapte meteen waarom ze op hun eigen verdieping geen plaats meer hadden voor de boeken van Jirásek. Aardige, doodgewone mensen waren het, die er samen het beste van probeerden te maken, maar waar de onderlinge spanningen toch duidelijk voelbaar waren.

Drie generaties onder één dak is nog altijd een heel gebruikelijke situatie in Tsjechië. Jonge gezinnen hebben vaak het geld niet om eigen woonruimte te kopen of huren. Oudere gezinnen sturen hun ouders liever niet naar een bejaardenhuis. Zelfs de appartementen in ons flatgebouw waren destijds berekend op deze samenlevingsvorm. Van de 80 m2 woonoppervlak was één lange smalle kamer met eigen wasbak en wc voor de grootouders bedoeld. Alleen de familie Kudláček op de begane grond woont samen met opa en oma. Dat zijn altijd nors kijkende mensen, de enigen die nooit iemand groeten in de flat. Met zijn zessen in zo'n klein flatje, dat valt vast niet mee.

(Op de foto: het type huis dat de familie Tesař bewoonde)

Sunday, January 01, 2006

 

Rijbewijs zonder envelop

De man van de autorijschool stelde zich nadrukkelijk voor als ingenieur Louda. "Dat ik niet denk dat hij zomaar een suffe rijinstructeur is," flitste er door me heen. Het lesgeven aan onhandige vrouwen die niet uit vrije wil, maar in opdracht van hun werkgever de kunst van het autorijden machtig moesten worden, was duidelijk beneden zijn niveau. Met zaken als inparkeren en ritten over de nabijgelegen snelweg wilde hij zijn kostbare tijd niet verdoen. Mocht ik mijn rijbewijs ooit halen, dan zou ik dat mettertijd vanzelf wel leren. Op de dag voor het rijexamen meldde hij me dat het lastig zou gaan worden, maar dat een envelop voor de politieagent veel goed kon maken. “Een envelop?”, was mijn uiterst naieve reactie. “Met geld natuurlijk.”

Het theorie-examen om zeven uur 's morgens en het urenlange wachten voor ik aan de beurt was voor het afrijden, maakten het er allemaal niet beter op. De agent wist meteen wat voor vlees hij in de kuip had en liet dat met chagrijnige opmerkingen vanaf de achterbank duidelijk merken. Gezakt natuurlijk. Drie weken later trof ik een agent die er niet van opkeek dat ik hem geen envelop toestak en me vriendelijk toelachte. Geslaagd. Niet dat het ooit echt wat geworden is met dat autorijden van me. Het rijbewijs ligt sinds een jaar of vier te verstoffen in een la.

Sinds de toetreding tot de EU schijnt het nu een stuk lastiger te zijn om je rijbewijs te halen. Verhalen als die van een vriend, die tijdens zijn examen alleen maar 200 meter rechtdoor hoefde te rijden, lijken nu verleden tijd. De politieagenten zullen flink getreurd hebben toen hun rol met de komst van de nieuwe regels werd overgenomen door professionele examinators. Einde enveloppen, einde leuke bijverdienste. Dan maar weer wat meer sjoemelen bij het innen van boetes op straat. Als Tsjechen blijven ze natuurlijk wel flexibel en vindingrijk.

This page is powered by Blogger. Isn't yours?