Tuesday, September 13, 2005

 

Het bizarre lot van de stad Most

De machthebbers van het voormalig Oostblok hebben nooit bekend gestaan om een overdreven liefde voor monumenten en stedelijk schoon. In de 40 jaar communisme werd aan onderhoud weinig tot niets gedaan. Vervallen kastelen werden vaak ingericht als archief, bejaardenhuis of zelfs varkensstal. Vele oude gebouwen hebben het veld moeten ruimen voor hoogstandjes van socialistisch functionalisme. Maar het kon nog veel erger. De oude stad Most, gelegen in Noord-west Tsjechië, werd door de communisten met de grond gelijk gemaakt.

1. Deze stad staat in de weg

Dat de geschiedenis van Most teruggaat tot de dertiende eeuw, is vandaag de dag moeilijk voor te stellen. De stad bestaat vrijwel alleen uit de uniforme hoogbouw, die voor de voormalige Oostbloklanden zo typerend was en is. Wat er met de oude stad gebeurd is, is een ongelofelijk verhaal – zij moest wijken voor de bruinkoolwinning.

De oorspronkelijke stad Most lag op een dertig meter dikke laag bruinkool, een veelgebruikt stookmiddel in socialistisch Tsjechoslowakije. Om de 100 miljoen ton brandstof boven de grond te kunnen krijgen, besloot de Tsjechoslowaaks regering in oktober 1962 tot de afbraak van het oude Most en de bouw van een nieuwe stad enkele honderden meters verderop. Men vergoelijkte dit verlies van een stuk historisch erfgoed door ook de vervallen staat van de stad als argument aan te voeren. De woningvoorraad, openbare gebouwen, riolering en het wegennet waren volgens "deskundigen" zo verwaarloosd, dat restauratie en renovatie duurder zouden zijn dan de bouw van een geheel nieuwe stad.
De historische stadskern werd daarom enkele jaren voor de sloophamer daadwerkelijk toe zou slaan al ontoegankelijk verklaard. Filmproducenten maakten gretig gebruik van de spookstad die zo ontstond en maakten er unieke opnamen voor detectiveseries en de oorlogsfilm All Quiet on the Western Front.

Van de vele architectonisch waardevolle gebouwen overleefde, behalve de burcht Hnevin hoog boven de stad, alleen de van 1517 daterende gothische Maria Hemelvaartkerk. Deze werd in 1975 op ingenieuze wijze verhuisd naar een plaats 850 meter verderop. Aan de rand van het bruinkoolwinningsgebied werd dit monument vlak naast een fabriek neergezet, gescheiden van de stad door een breed veld van spoorlijnen en een grote autoweg. Een eenzame lokatie voor een eenzaam overblijfsel van het oude Most.

De nieuwe stad werd een karakterloos geheel van louter hoogbouw. Samen met de omringende bruinkool- winningsgebieden en grote industriecomplexen biedt het een troosteloze aanblik. Toch concludeert Fröhlichová in een optimistische publicatie over Most uit 1977: "De laatste overblijfselen van de oude mijnstad Most zullen in de komende jaren verdwijnen, maar het leven van de stad zal doorgaan. De mensen die hun thuis overbrachten van het oude naar het nieuwe Most zullen een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van hun stad schrijven en hun werk voor de voorspoed en gelukkige toekomst van hun socialistische geboorteland voortzetten.”

Een deprimerend bezoek
In 1994 stapte ik op een zonnige morgen op de bus van Praag naar Most. Het contrast had niet scherper kunnen zijn. Nog geen anderhalf uur later arriveerde ik in een somber Most, bedekt door een dikke deken van smog. Het enorme verlaten busstation waar ik uitstapte, maakte de deprimerende eerste indruk van de stad compleet. Met gemengde gevoelens waagde ik me aan een wandeling door de uitgestrekte flatwijken, op zoek naar het stadscentrum. Zonder resultaat. Ik besloot daarom de tram naar het nabijgelegen Litvínov te nemen. De halte waar ik opstapte was door kinderen met vrolijk kleuren beschilderd. Al gauw bleek dat de stadsbewoners die dezelfde route iedere ochtend naar hun werk nemen verder weinig opwekkends te zien krijgen onderweg. De aanblik van enorme bruinkoolafgravingen en petrochemische industriecomplexen maakten mijn stemming er niet beter op. Wat een bolwerk van ontmoedigende lelijkheid.

2. Het geluk van de socialistische burger

De leiding van socialistisch Tsjechoslowakije deinsde er niet voor terug een stad van destijds 50.000 inwoners af te breken en weer opnieuw op te bouwen. Een klus die vele miljarden kronen heeft gekost, maar desondanks een succes werd. Gemeten naar Oostblokmaatstaven althans: de opbrengst van de afgegraven bruinkool oversteeg het totaal aan gemaakte kosten met bijna 3 miljard kronen. Dat vele duizenden mensen hier hun thuis voor moesten opgeven, is nooit een serieus punt van aandacht geweest.

Hoe het megaproject destijds aan het volk gepresenteerd werd, wordt me duidelijk als ik de Maria-Hemelvaartkerk binnenloop. Bezoekers krijgen hier een staatsfilm uit 1988 te zien, die haar kijkers een duidelijke boodschap meegeeft: “wij hebben een enorme voorraad bruinkool voor u boven de grond gehaald en u zo werkgelegenheid en een warmgestookt thuis bezorgd. In onze oneindige goedheid hebben wij bovendien deze kerk voor u weten te redden.”

Het zal niemand meer verbazen dat de bewoners van het oude Most niet naar hun mening over de sloop van hun stad is gevraagd. Inspraak was irrelevant, omdat de staat beter dan haar burgers zelf wist wat goed is voor de socialistische mens. Ja, met deze alvoorzienende verzorgingsstaat mocht men zich gelukkig prijzen.

Verhuizen naar konijnenhokken
Nieuwsgierig geworden naar de ervaringen van de doorsnee Mostenaar, bracht ik in de zomer van 1994 opnieuw een bezoek aan de stad. Ik sprak er met een aantal mensen dat de vernietiging van de stad aan den lijve had ondervonden.

Mevrouw Hana P. vertelt: “We zijn ooit in Most komen wonen omdat we hier zonder problemen een woning konden krijgen. Omdat het gebied door de bruinkool en industrie van groot economisch belang was, investeerde de staat veel in woningbouw. Over de afbraak van de oude stad was toen al beslist. Dat was geruisloos gegaan, want er waren maar heel weinig mensen die iets tegen de beslissingen van de communisten in durfden te brengen. Wie protesteerde werd opgesloten of werd ontslagen en kon dan alleen nog minderwaardig werk doen."

Haar man Pavel voegt daaraan toe: "Toen we hier kwamen wonen was er vlakbij een mooi park met grote oude bomen en een leuk restaurantje in het midden. De communisten vonden het helaas niet nodig dat daar een park was, dus zetten ze op die plaats afschuwelijke flats en een lelijk cultureel centrum neer. Het milieu en stedelijk schoon, daar was niemand in geinteresseerd."

Milada P. schetst de sloop van de stad vanuit een andere invalshoek. “In 1962 verhuisde ik met mijn man naar Most, waar we als arts beiden werk kregen. Het inwonertal van de stad groeide indertijd erg snel, omdat er zoveel werkgelegenheid was. Most van oorsprong een typische Sudetenstad met voornamelijk Duitse bevolking. Na de Tweede Wereldoorlog waren alle Duitsers het land uitge-stuurd en had de staat er alles aan gedaan om nieuwe mensen naar de stad te lokken. Toen besloten werd het oude Most af te breken, ging dan ook niemand daar tegenin, omdat de meeste mensen er nog maar kort woonden en niet echt een emotionele band met de stad hadden. Ik heb me er ook niet druk over gemaakt, omdat ik al van de afbraakplannen wist toen we er kwamen wonen. Zelf kwamen we in één van de eerste, toen nog vrij lage flats terecht.
Mensen die er wel moeite mee hadden, hadden sowieso geen schijn van kans gehad met protest, want bruinkool ging vóór alles. Het leverde natuurlijk ook veel werkgelegenheid op. Aantrekkelijk werk was het niet, maar tijdens het communisme genoten arbeiders en vooral mijnwerkers alle mogelijke voordelen. Ze verdienden meer dan wij als arts en konden op hun 45e al met pensioen. Ook de stadsbewoners die niet in de mijnbouw werkten hadden het niet slecht. De regering was zich er terdege van bewust dat het door de bruinkool en industrie sterk vervuilde gebied geen ideale leefomgeving vormde. Daarom hadden alle inwoners recht op een jaarlijkse “stabiliseringstoelage” van ongeveer 2000 kronen. Dat was in die tijd veel geld. Wij noemden dat voor de grap begrafenisgeld. De levensverwachting lag er inderdaad ook een stuk lager dan in de rest van het land. Verder kregen kinderen op school gratis gezonde tussendoortjes als yoghurt en sinaasappels en konden vaker op schoolkamp in een gezonde omgeving en voor weinig geld op vakantie naar zee.”

Dat niet iedereen even rouwig was om de verhuizing, blijkt ook uit het verhaal van Jana K.: "In het oude Most werd sinds de communisten in 1948 aan de macht waren gekomen niets meer aan onderhoud gedaan. De stad verkeerde in abominabele staat. Om sommige bouwvallen stonden grote hekken om te voorkomen dat men er naar binnen zou gaan. Veel mensen waren daarom blij dat ze een nieuwe woning met centrale verwarming en altijd warm water kregen. Wat de verhuizing van de stad daadwerkelijk inhield, daar werd men zich pas later van bewust."

In de communistische tijd werden in Tsjechoslowakije vrijwel alleen flats gebouwd, door de Tsjechen spottend konijnenhokken genoemd. Ook de inwoners van Most mochten nu proeven van de nadelen die deze woonvorm met zich meebrengt.

Marcela J.: "In de flats wonen veel mensen dicht bij elkaar, maar de sociale afstand tussen mensen is heel groot. Ik kom uit één van de twintig omliggende dorpen die ook moesten wijken voor de bruinkool. Iedereen kende elkaar daar en dat mis ik hier enorm. Ik groet de buren hier wel, maar ze antwoorden niet. Niet eens uit onvriendelijkheid, maar gewoon omdat ze geen reden hebben om iets terug te zeggen."

Men moest ook wennen aan de uniformiteit van de nieuwe woonomgeving. "De flats zijn grijs en lelijk. Het lag wel in de planning om ze kleuren te geven en zo wat onderscheid aan te brengen, maar dat ging niet door. Nu verdwaal je in die zee van hoogbouw. De ene kant van de straat is het spiegelbeeld van de andere. Het enige verschil zit in de huisnummers."

3. Kinderen van het nieuwe Most

De gewonnen bruinkool is inmiddels allang opgestookt, maar de treurige herinnering aan het oude Most leeft nog in velen voort. Jaroslav Cervenka, geboren in het nieuwe Most, schrijft in zijn scriptie over de afbraak van de oude stad: “Qua woonomstandigheden ging men er weliswaar op vooruit, maar dat woog niet op tegen de schade die elders werd aangericht. Mensen werden met geweld weggerukt uit de omgeving waar ze opgegroeid waren, werkten en hun sociale contacten hadden. De inwoners van het nieuwe Most hebben daarom nauwelijks een band met hun stad.”

Ook Petr L. is een kind van het nieuwe Most. “Ik voel een sterke band met het oude Most. Jammergenoeg heb ik nooit door haar straten kunnen wandelen, behalve dan in mijn dromen en fantasieen. Wat voorgoed verdwenen is, komt nooit meer terug.”

Martin S. is opgegroeid in de villawijk van het oude Most. “Op een dag kwamen die verdomde communisten om ons weg te jagen en ons huis op te blazen. Omdat we niet in de lelijke nieuwe flatstad wilden wonen, verhuisden we naar een klein huisje in het dorpje Lipetín. Toen we daar een jaar woonden werd ook dit dorp met de grond gelijk gemaakt en werden we opnieuw gedwongen te verhuizen. Uiteindelijk zijn we in Litvínov terecht gekomen.”

Een andere kijk op de stad
Een aantal jaar geleden boden mijn man en ik een jongen uit Most aan om een tijdje bij ons in huis te komen wonen. Dat leverde mij een geheel nieuwe kijk op het leven in Most op. Martin had daarvoor in Zizkov, een typisch Praagse volksbuurt gewoond, en was zielsgelukkig dat hij bij ons weer in een flat terecht kwam. "Eindelijk voel ik me weer thuis."

Toen ik in 1999 zijn familie in Most bezocht, viel het me op hoezeer de mensen die ik ontmoette een band met hun stad hadden. Trots op beroemde stadgenoten als zangeres Ilona Csakova, wereldberoemd fotomodel Eva Herzigova en bekende ijshockeyspelers stak men niet onder stoelen of banken. Ook het sociale leven van deze mensen was veel levendiger dan ik had verwacht. Zelfs in een stad als deze zijn mensen dus in staat een opgewekt leven te leiden. Maar dat is de Tsjechen misschien ook wel eigen. Ze zeggen vaak met de nodige zelfspot dat zij meesters zijn in het zich aanpassen aan veranderende omstandigheden. Of men nu de wet voorgeschreven kreeg door de Habsburgers, fascisten of communisten, altijd wist men zich wel een weg te vinden om toch een relatief normaal bestaan op te bouwen.

De flats was het inmiddels wel aan te zien dat ze destijds in recordtempo uit de grond waren gestampt. Zowel van binnen als van buiten waren ze onderhand hoognodig aan een uitgebreide opknapbeurt toe. De omgeving daarentegen was er erg op vooruit gegaan. De openbare ruimte tussen de flats was al een stuk groener en minder kaal. Maar de grootste verrassing wachtte me toen ik een kijkje bij de beroemde kerk ging nemen. Waar vlakbij nog niet al te lang geleden het uitgestrekte maanlandschap van bruinkoolafgravingen begon, ontwaarde ik nu een parkachtig gebied met frisse nieuwe aanplant van gras en boompjes. Most begon zich in mijn ogen langzaam maar zeker te ontpoppen tot een stad met een menselijk gezicht.

Een nieuwe beproeving
Het zou echter voorbarig zijn om nu over te lopen van optimisme. Na de omwenteling van 1989 werd Most opnieuw zwaar getroffen. Ditmaal door een tijdens het communisme onbekend fenomeen: werkloosheid. Op het moment bedraagt deze ruim twintig procent. De oorzaak ligt voor de hand. Bruinkool is als onpraktisch en sterk vervuilend stookmiddel uit de mode geraakt en ook veel van de industrie uit de omgeving van de stad is sterk op zijn retour. De weinige buitenlandse bedrijven die de regio aan heeft weten te trekken, maken graag gebruik van de situatie en bieden minimale lonen aan. Er zijn immers werkzoekenden genoeg.

Steeds meer bewoners besluiten dan ook hun stad de rug toe te keren en zich te vestigen op plaatsen die meer werkgelegenheid en een aangenamere leefomgeving bieden. De verwachting is dat deze trend zich in de toekomst in versterkte mate door zal zetten.

Most anno 2005
Voor het eerst in zes jaar ga ik terug naar Most. Als we de eerste flats ontwaren tegen de achtergrond van het schitterende Ertsgebergte, geven die nog steeds een even misplaatste indruk. Maar we komen dichterbij en zien dat her en der opgeknapte flatgebouwen de stad al een wat fleuriger aanzien geven.We rijden langs de industriecomplexen, die nog altijd even lelijk zijn. Maar de stoffen die ze de lucht instoten zijn al een stuk minder schadelijk dan nog maar een paar jaar geleden. Even verderop staat nog steeds zo'n kolossale machine waar de bruinkool mee uit de grond werd gehaald. Een wegroestende herinnering aan een bruin verleden, want dienst doet hij niet meer. Rondom het gevaarte ligt nog een klein stukje van het ooit zo luguber aandoende maanlandschap. Maar ook dat zal binnen afzienbare tijd gerecultiveerd worden en deel uit gaan maken van een uitgestrekt natuurgebied met nieuwe wijnaanplant, meren, wandel-, fiets- en ruiterpaden.

En de Maria Hemelvaartkerk? Die staat nog steeds buiten de stad, dat wel. Maar zij wekt niet meer de indruk hier maar neergeplant te zijn bij gebrek aan een betere lokatie. Op een terrasje naast de kerk nemen we de omgeving in ons op. Mooie nieuwe bestrating. Onlangs gerestaureerde beelden. Frisse groenaanplant. Een leuke speelplaats voor kinderen. Het is een oase van rust en ontspanning geworden.

Natuurlijk, de stad gaat nog steeds gebukt onder de last van haar verleden. Maar het stadsbestuur stelt alles in het werk om Most tot een leefbaar oord te maken. Het meest indrukwekkende project moet nog gerealiseerd worden. Geinspireerd door het miniatuurpark Klein-Erzgebirge in het nabijgelegen Duitse Oederan, heeft men het plan opgevat om de oude stad Most in het klein te herbouwen. De lokatie voor dit park had men niet symbolischer kunnen kiezen. Mini-Most moet verrijzen op de plaats waar de bruinkool inmiddels gedelfd is, in de nabijheid van de verplaatste kerk.

Misschien dat dit projekt ook iets van de heimwee van Petr L. weg kan nemen. “Ik ben bang dat er wel wat tranen zullen vloeien als ik het schaalmodel van de oude stad voor het eerst ga bekijken. Wat verheug ik me op het moment dat we ons geliefde oude Most eindelijk weer terug zullen zien.”

Foto's uit Most van augustus 2005 staan op: www.diorama.cz/most

Comments: Post a Comment

<< Home

This page is powered by Blogger. Isn't yours?