Friday, September 30, 2005

 

Momentopname: pozor vlak

Behalve het woord pivo, dat met stip op één blijft staan, kennen veel buitenlanders die in Tsjechië zijn geweest ook de woorden pozor vlak. Dat staat op de bordjes bij de spoorwegovergangen en betekent let op, trein. Vroeger stond je vaak minutenlang voor zo'n onbewaakte overgang te wachten voor er een minitreintje met een slakkengangetje voorbij kwam puffen. Maar ze hebben wel wat, die Tsjechische treinen.





Tuesday, September 27, 2005

 

Een vriend van Jan Palach

Kasteelbewaarders zijn een volkje apart. Om het leven op een afgelegen middeleeuwse burcht vol te kunnen houden, moet je ook wel een bijzondere pesoonlijkheid zijn. Via mijn vriend Daniel Staněk leerde ik Jiří Čtrnáct kennen, de beheerder van de Moravische burcht Svojanov. Zijn naam betekent “George Veertien”, maar door vrienden wordt de kasteelheer toepasselijk Jiří Čtrnáctý, “George de Veertiende”, genoemd. Zijn hele voorkomen doet vermoeden dat dit geen gewone man is. Zijn baard is zo mogelijk nog woester dan die van de andere kasteelbewaarders die ik heb ontmoet. Daniel nodigde me regelmatig uit om een bezoekje te brengen aan zijn illustere vriend. Het bier vloeide dan rijkelijk en de verhalen kwamen meestal gauw los. Ook de geschiedenis van Jan Palach kreeg in deze tot de verbeelding sprekende omgeving een nieuwe dimensie voor mij.


Jan Palach was een filosofiestudent, die op 16 januari 1969 geschiedenis schreef door zich op het Praagse Wenceslasplein levend in brand te steken. Hij deed dit uit protest tegen de Russische bezetting van Tsjechoslowakije, die in augustus 1968 een eind gemaakt had aan een democratiseringsproces dat door de Sovjets met argusogen was gevolgd. Tijdens deze zogenaamde Praagse Lente was Jan Palach al actief geweest om een vrijer klimaat in zijn land te bewerkstelligen. Na de inval van de Russen zette hij zijn activiteiten onvermoeid voort, zonder zich te laten afschrikken door de inmiddels weer hard optredende staatsveiligheidsdienst. Tegen het einde van1968 kreeg Palach echter steeds meer de indruk dat de Tsjechen in een apathische toestand begonnen te vervallen. Men leek zich bij de nieuwe maatschappelijke omstandigheden te hebben neergelegd. Om het volk wakker te schudden besloot hij een daad te stellen. Die had voor hem persoonlijk fatale gevolgen: drie dagen nadat hij zichzelf in brand had gestoken, overleed hij aan zijn verwondingen. Zijn begrafenis ontaardde in een voor het Oostblok ongebruikelijke massademonstratie met meer dan tienduizend deelnemers.

Ruim vijfentwintig jaar later vertelt Jiří Čtrnáct op Svojanov over zijn aandeel in dit verhaal. Eind 1968 maakte hij deel uit van een groep van twaalf studenten die ontevreden waren over de uitzichtloze situatie van die tijd. Samen smeedden ze een plan om daar verandering te brengen. Eén van hen zou zich in brand steken om de aandacht van de wereld te trekken. Wie van de twaalf dat zou worden, besloten de studenten aan het toeval over te laten. Het lot viel op Jan Palach. Niet alleen in Tsjechoslowakije zelf, maar ook in het Westen zorgde zijn dood voor de nodige opschudding. De communistische leiding echter was niet te vermurwen en weigerde de vrijheidsidealen van de Praagse Lente nieuw leven in te blazen. Men voelde de hete adem van de almachtige Sovjet-Unie in de nek en wilde geen nieuw hard optreden van deze Big Brother riskeren.

Jiří Čtrnáct, teleurgesteld dat de dood van zijn vriend geen enkel direct effect had, vluchtte naar Frankrijk, waar hij aan de slag ging in de theaterwereld. Na de omwenteling keerde hij terug naar zijn vaderland en kwam terecht op Svojanov. Vanaf zijn burcht volgt hij de ontwikkelingen in het nieuwe Tsjechië op de voet. Zijn beroemde vriend Jan Palach is nog steeds een held voor zijn volk, ook al werd het opbouwen van een post- communistische democratie een proces van vaak pijnlijk vallen en moeizaam weer opstaan. Toch blijft Palachs ideaal van vrijheid voor velen de grote winst van de val van het communisme.

Sunday, September 25, 2005

 

Momentopname: herfst in Moravië

.

"Neem er nog één!"
Bij Daniels schapenschuur in Louka

Tuesday, September 20, 2005

 

Vreemde eenden

Twee jaar geleden ging ik met een groepje Tsjechen naar Nederland. Voor twee Praagse tienerjongens werd dit hun eerste buitenlandavontuur. We waren de Duitse grens nog niet gepasseerd of vanaf de achterbank van het busje klonken de eerste enthousiaste kreten: "Wat een bijzondere telefooncel!" en "Kijk eens naar die mooi opgeknapte flats!" Ook in Nederland raakten ze niet uitgekeken. Toen we in Rijswijk met wat mensen in de buurt van een vijver stonden, hoorden we de ene broer tegen de andere zeggen: "Wat is dat daar voor een vogel?" We draaiden ons om in de verwachting een exotisch exemplaar te gaan aanschouwen, maar broer Jakub hielp ons uit de droom. "Dat is toch gewoon een eend, man," klonk het minachtend. Praag is geen overdreven waterrijke stad, realiseerde ik me toen. En waar geen water is, hoor je nu eenmaal weinig gekwaak. Vandaag ontdekte ik nog een reden waarom eenden hier een zeldzame soort zijn. Gefeliciteerd met uw vangst, buurman...


Monday, September 19, 2005

 

Groeten uit China

Een opmerkelijke reactie op mijn weblog kwam van Elke uit China. De sites van blogspot. com komen spijtig genoeg niet door de Chinese censuur, schrijft ze. Een vriendin van Elke die ook in China werkt wilde ook een blog opstarten om het thuisfront over haar ervaringen te informeren. Daar werd dus een stokje voor gestoken.
Dictaturen worden in dit internettijdperk voor grote uitdagingen gesteld. Lijkt me niet zo eenvoudig om die enorme hoeveelheid informatie die tegenwoordig voor de hele wereld beschikbaar is te monitoren. Arme Chinezen. Nog een geluk voor het voormalig Oostblok dat de censuur hier al in 1989 werd afgeschaft. Dat heeft de communisten hier een hoop rompslomp bespaard.

Wednesday, September 14, 2005

 

Op paddenstoelenjacht met een plastic mandje

Toen ik laatst de supermarkt bij ons om de hoek inliep, wilde ik net als anders een mandje pakken. Van de gebruikelijke hoge stapel bij de ingang was echter geen spoor meer te bekennen. Ik vroeg de toevallig voorbij lopende beveiligingsman wat er aan de hand was. "Ja mevrouwtje, de paddenstoelentijd is aangebroken. Iedereen duikt weer het bos in en heeft iets nodig om z'n paddenstoelen in te doen. In al onze winkels zijn de mandjes in recordtempo verdwenen en de bedrijfsleiding heeft besloten geen nieuwe meer aan te schaffen."

Dus laad ik mijn boodschappen maar onderin de kinderwagen en denk ondertussen na over wat ik zojuist gehoord hebt. Misschien dat mensen het meenemen van zo'n mandje geen stelen vinden. Tijdens het communisme werd de Tsjechische taal een spreekwoord rijker: wie niet steelt, berooft zijn gezin. Niet zo'n wonder, want in de beginjaren van het communisme had de staat de industrie genationaliseerd, de landbouw gecollectiviseerd en bedrijven onteigend, zonder de oorspronkelijke eigenaren daar een redelijke vergoeding tegenover te stellen. En waarom zou je de staat niet bij kleine beetjes vergelden wat hij jouw familie in het groot heeft aangedaan. Je vaders bakkerij afgepakt en jou het vervolgens onmogelijk gemaakt de opleiding van je keuze te volgen, omdat je immers uit een fout, bourgeois gezin kwam. Alles was nu van iedereen en dus van niemand, zoals men placht te zeggen, en dus nam je uit het staatsbedrijf waar je werkte af en toe een stapel papier en wat pennen mee. Op de bouwplaats waar je toch dagelijks langsliep haalde je wat bouwmateriaal dat je toevallig nodig had. En in de staatswinkel zo'n handig mandje.

Maar de tijden zijn veranderd, het communisme is al zestien jaar geleden afgezworen. De mandjes in de supermarkt zijn inmiddels geen staatseigendom meer, maar het bezit van de winkeleigenaar. Sommige mensen hebben dat blijkbaar nog niet helemaal begrepen. Het kan zijn dat ik er veel te zwaar aan til en het in Nederland net zo gaat. Ik ben al te lang weg om nog een reële vergelijking te kunnen maken. Eén ding weet ik wel. Als je iemand het bos uit ziet komen met zo'n plastic mandje vol eekhoorntjesbrood, dan is dat gewoon geen gezicht. Paddenstoelen horen net als dat hier eeuwenlang de gewoonte is geweest in zo'n ouderwets rieten mandje. Daar zal ook de eigenaar van onze buurtsuper het wel mee eens zijn.

Tuesday, September 13, 2005

 

Een knoop met een hakenkruis erop


Het stadje Smržovka in Noord-Bohemen heet in het Duits Morchenstern. Tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bestond driekwart van de bevolking er uit etnische Duitsers. Eén van hen was Herr Feix, die er in 1911 een grote villa had laten bouwen die deels diende als onderkomen voor zijn glaspersbedrijf. Net als vele anderen in dit traditionele glasmakersgebied hanteerde hij een speciale persmethode om knopen, sieraden en versierselen voor kroonluchters te maken van heldere of gekleurde glasstaven.

In 1946 viel het doek voor zijn onderneming. Samen met de bijna 3 miljoen andere Sudetenduitse inwoners van toenmalig Tsjechoslowakije werd hij het land uitgezet. Alleen degenen die konden aantonen dat zij tijdens de oorlog actief in het verzet waren geweest, mochten blijven.

Het huis van Feix werd in beslag genomen door de staat, die het op amateuristische wijze liet indelen in vier appartementen en verder niet van plan was zich bezig te houden met onderhoud van het monumentale pand. Zo gingen veertig jaren van verwaarlozing voorbij. Na de val van het communisme in 1989 wisselde de ene eigenaar de andere af, maar geen van hen durfde de uitdaging aan het huis grondig op te knappen. In 1999 was van de ooit zo glorieuze villa dan ook niet veel meer over dan een vervallen spookhuis, dat voor een habbekrats te koop werd aangeboden.


Mijn schoonouders werden de nieuwe eigenaars van deze bouwval en begonnen vol enthousiasme aan een groot restauratieavontuur. Gaandeweg begon het huis zijn onvermoede schatten prijs te geven. Onder de half vergane lage linoleum op de bovenverdieping vonden we Sudetenduitse kranten uit de jaren dertig, nog gedrukt in het destijds gebruikte sierlijke gotische schrift. Tijdens het onkruid wieden in de verwilderde tuin stuitten we op ontelbare glazen knopen, armbandjes en glasstaven. De adem stokte ons in de keel toen we op een dag een knoop vonden, dat een duidelijk getuigenis afgaf van de geschiedenis van het huis en zijn oorspronkelijke bewoners. Op de knoop stond een hakenkruis afgebeeld.

Gezien de grootte van het huis besloten mijn schoonouders de bovenste twee verdiepingen als pension in te richten. Eén van de eerste gasten die boekte, was de wat oudere Duitse mevrouw Rieken met haar twee dochters. Als klein meisje had ze in de nabijgelegen stad Jablonec gewoond, vertelde ze, en nu, ruim vijftig jaar na dato, kwam ze voor het eerst terug in haar geboortestreek. Haar dochters hadden haar het verblijf in ons pension cadeau gedaan voor haar verjaardag. Het moet een emotioneel weerzien geweest zijn. Maar de aanblik van Gablonz, zoals de Duitse naam van de stad luidde, moet de vrouw ook ook geschokt hebben. De statige huizen van de voormalige Duitse bevolking hebben de veertig jaar communisme weliswaar overleefd, maar staan er verwaarloosd en kleurloos bij.

Mevrouw Rieken trok na het verplichte vertrek uit Tsjechoslowakije met haar ouders naar Beieren. Jablonec was altijd het centrum van de Boheemse glasindustrie geweest en de Duitse inwoners van de stad probeerden bij elkaar te blijven om deze traditie in hun nieuwe vaderland voort te zetten. De ouders van mevrouw Rieken werden zo de mede-oprichters van het stadje Neu Gablonz in de buurt van München. Ironisch genoeg maken de nazaten van de Sudetenduitsers hier tegenwoordig de ronde glazen merkjes die de Tsjechische škoda-auto's sieren.

De uitdrijving van de Duitsers, gebaseerd op het principe van collectieve schuld, is nog steeds een pijnlijk punt in de Tsjechische geschiedenis. Mensen werden gedwongen binnen 48 uur het land te verlaten en mochten vaak niet meer dan één koffer meenemen. Vaak werd er ruw tegen de vluchtelingen opgetreden, sommigen werden zelfs gedood. Mevrouw Rieken is niet de enige die er ondanks de beladen herinneringen naar verlangde haar geboortegrond terug te zien. Ook meneer Dvorak, de zoon van de vroegere Duitse apotheekhouder in Smržovka, heeft al gelogeerd in het huis dat ooit eigendom was van zijn vaders vroegere stadsgenoot Feix. Wat Herr Feix hier zelf van gevonden zou hebben, zullen we helaas nooit te weten komen.


 

Tsjechische dorpen in Roemenië


Terug naar lang vervlogen tijden

In Svatá Helena wassen mensen zich nog met water uit de regenton. De vrouwen staan er 's morgens vroeg op om de koe te melken en dan smakelijke kwarkkoeken te bakken voor het ontbijt. De thee van gekookt regenwater die je erbij krijgt in de typisch Roemeense geëmailleerde bekers heeft een eigen- aardige bijsmaak, maar die spoel je ook in de ochtenduren al makkelijk weg met een glaasje zelfgestookte pruimenbrandewijn. De mensen hier zijn bruin verbrand door het werk op het land, dat nog bewerkt wordt met paard en wagen en alles oplevert wat de dorpelingen voor hun levens- onderhoud nodig hebben. 's Avonds, als iedereen van de akker is teruggekeerd naar het dorp, pakken de mannen hun accordeon om nog even de kroeg in te gaan, waar ze oude volksliedjes zingen en een stevige borrel drinken. Zodra de duisternis invalt zoekt men de behaaglijkheid van de dikke donsveren dekbedden op. De volgende dag begint weer vroeg.


Het duurt niet lang meer of deze nostalgische taferelen zullen zich afspelen binnen de grenzen van de EU, want Svatá Helena ligt in de Roemeense Banaat. Net als nog vier andere schilderachtige Tsjechische dorpjes, die veraf gelegen van de bewoonde wereld verstoken zijn van de gemakken van de moderne consumptie- maatschappij. Als Westerling bekruipt je hier een weemoedig verlangen naar tijden die je kent uit je grootvaders verhalen. Maar ook het beklemmende gevoel dat dit lieflijke oord langzamerhand zal veranderen in een openluchtmuseum, met in een enkel huisje nog een vergeten opaatje of omaatje.

Het beloofde land
De geschiedenis van de Tsjechische dorpen in de Roemeense Banaat gaat terug naar de eerste helft van de negentiende eeuw. Een zekere Magyarli, beheerder van grote bossen aan de Donau in het Oostenrijks-Hongaarse rijk, lokte rond 1820 enkele honderden Tsjechen naar het gebied om als houthakkers aan de slag te gaan. In ruil beloofde hij hen een stuk grond en vrijstelling van belastingheffing en de de destijds 14 jaar durende militaire dienst. Mensen die in Bohemen in armoede hadden geleefd, grepen deze mogelijkheid met beide handen aan. Maar in het beloofde land van Magyarli wachtte de vermoeide reizigers een ontnuchterende werkelijkheid. Het gebied bleek onherbergzaam en de grond niet bijster geschikt voor landbouw. Teruggaan naar Bohemen was echter geen optie en om het thuisfront niet te ongerust te maken schreef men maar liever positieve berichten. Mede daardoor kwam enkele jaren later een tweede immigratiegolf op gang. De Oostenrijkse legerleiding had mensen nodig om het grensgebied te beschermen tegen de Turken aan de overkant van de Donau en deed evenals Magyarli een beroep op noodlijdende gezinnen in Bohemen. In totaal kwamen zo rond de vierduizend Tsjechen naar de Banaat, die in de loop der tijd een aantal dorpen stichtten. Sommige daarvan gingen verloren omdat de drinkwaterbron er opdroogde of men bang was voor overstromingen van de Donau. Een vijftal dorpen heeft de tand des tijds doorstaan en wordt nog steeds vrijwel uitsluitend door Tsjechen bewoond.

Bijna twee eeuwen later

De reis naar de Banaat, over land met de ossenwagen en vanuit Wenen met de boot over de Donau, duurde destijds twee maanden. Hoe comfortabel daarbij vergeleken is onze busreis in april 2001. Maar in de dorpen zelf lijkt de tijd te hebben stilgestaan. In de buurt van het dorp Gernik malen de mannen het graan in zeven kleine watermolens. De paardenkar staat buiten, de goedlachse mannen nemen nog een slok pruimenbrandewijn en groeten ons automatisch met “Dobrý den”. Wie anders dan Tsjechen zouden de wandelroute tussen de Tsjechische dorpen nemen.

We zijn onderweg vanuit het meest afgelegen dorpje Rovensko, dat pas in 1993 van stroom voorzien werd en nog steeds het meest armoedig aandoet. Het plaatselijke schooltje, waar het handjevol kinderen leskrijgt in het Tsjechisch en Roemeens, doet denken aan de verhalen van Ot en Sien. 's Avonds voor vertrek zien we hoe een omaatje met een zeis over de schouder haar varkens over de stoffige dorpsweg naar huis toe jaagt. Onderweg van Rovensko naar Gernik komen we alleen hier en daar een vervallen Roemeens boerenhuis tegen, waar we ons de woest blaffende waakhonden met moeite van het lijf weten te houden.

De wegen tussen en in de dorpen zijn niet geplaveid en veranderen bij regenachtig weer in een enorme modderpoel. Maar de grond die niet bedekt is met asfalt en beton lijkt hier beter te kunnen ademen. De vriendelijk uitziende dorpshuisjes hebben geen badkamer en om te wassen wordt water uit de regenton gebruikt. De wc is een houten huisje achterop het erf, waar het varken in het hok ernaast je vrolijk toeknort. Het zware, maar zeer smakelijke eten wordt gekookt op hout gestookte fornuizen. Hier geen kleurstoffen en conserveringsmiddelen. Alles wat men eet en drinkt is huisgemaakt. En de gastvrije dorpsbewoners laten bezoekers graag meeproeven van hun specialiteiten. Ook Alois en Elisabeta Urbánek, het oudere echtpaar waar wij tien dagen te gast zijn, blijken hartelijke mensen. Avond aan avond vertellen ze ons verhalen over het bijzondere leven dat ze hier leiden en doen ons keer op keer versteld staan door hun grote levenswijsheid.

Na een bezoekje aan de plaatselijke winkel van sinkel, vertelt mevrouw Urbánková ons het curieuze verhaal van Pepsi, de eigenaar. Hoe dit energieke mannetje in het echt heet, weet eigenlijk niemand meer. Vlak na de val van Ceausescu verliet Pepsi zijn geboortedorp, op zoek naar het geluk in Amerika. Hij bracht elf jaar door in New York, waar hij als taxichauffeur werkzaam was. “Daar drinken ze geen water, alleen maar pepsi cola”, vertelde hij bij thuiskomst in Svatá Helena. Mevrouw Urbánková becommentarieert zijn terugkeer met de woorden “Hij wilde terug naar huis omdat hij wereldmoe was.” Een groter contrast dan tussen New York en Svatá Helena lijkt schier onmogelijk, maar zijn heimwee kunnen we ons levendig voorstellen.

Onze angst dat wij het Tsjechisch van de mensen in Helena niet zouden verstaan, bleek ongegrond. Voor taaldeskundigen moeten deze dorpen het paradijs op aarde zijn. Na bijna honderdtachtig jaar klinkt het Tsjechisch van deze mensen nog opvallend zuiver. Woorden die in het hedendaags Tsjechië allang in de vergetelheid zijn geraakt, behoren hier nog tot het dagelijks taalgebruik. De Roemeense intonatie en de recht-voor-zijn-raap uitdrukkingen van de dorpsbewoners maken het taaltje extra smeuig. Voor woorden die destijds niet bestonden, worden Roemeense equivalenten gebruikt, zoals gara voor station (in het Tsjechisch nádraží) en kurent voor stroom in plaats van proud. Ook worden nog veel van de in de negentiende eeuw gebruikelijke germanismen gebruikt, zoals luft, šíf (schip), cuk (trein), ksicht (gezicht) en krchov (kerkhof).

Ter illustratie een voorval uit Svatá Helena, waar een plaatselijk omaatje een jonge Tsjechische bezoeker uit probeert te leggen waar in de Roemeense stad Orsova het station ligt: “Gára je hned naproti portu (přístavu), jak jsou ty šífy, tam už, strejčku, uvidíte ty šíny (koleje), na gáře si koupíte bilet a cukem pojedete až do Temešváru. A dyby ten cuk dlouho nejel, tak to můžete zkusit na okáziji (autostopem).” Een andere “panímáma” biedt haar gast, die zich gaat wassen bij de waskom, een handdoek aan met de woorden: “Vem si pak tuten hadr a utři si ten ksicht.”


Survival in een kopermijn
Ook het Tsjechische woord voor koper, měď, is verdrongen door een verbastering van de Roemeense variant: kupr. Een belangrijk begrip in deze omgeving, want tot voor kort waren vrijwel alle mannelijke inwoners van het dorp werkzaam in de nabijgelegen kopermijn. Meneer Urbánek was ooit begonnen als arbeider in de kolenmijn en eindigde in de kopermijn als beheerder van het magazijn met reserve-onderdelen. Daar hoefde hij zich het vuur niet uit de sloffen te lopen, vertelt hij met een brede grijns, want onderdelen waren er vaker niet dan wel. Net als andere mijnwerkers ging hij op zijn vijfenveertigste met pensioen. Dat leek ons nogal vroeg. Tot een mijnwerker uit het dorp ons uitnodigde om mee ondergronds te gaan. Daar kunnen we maar tot één conclusie komen: iedere mijnwerker die het überhaupt presteert om de pensioen- leeftijd te bereiken is een klasse apart.


De kopermijn van Moldova Noua is alles behalve een officiële toeristische attractie. Josef Pek, die ons meeneemt, heeft zijn baas dan ook niet op de hoogte gesteld van onze excursie. Als we afdalen in de mijn komt ons een zware walm tegemoet, die het ademen bemoeilijkt. Een deel van de ondergrondse treintjes rijdt hier ongelofelijk genoeg op diesel. De motoren zijn slecht afgesteld en het ventilatie- systeem heeft zijn beste tijd duidelijk al achter de rug. Je valt hier van de ene verbazing in de andere. De bovenleiding van de treinen werpt zulke vonken af, dat fotograferen met flits hier een overbodige luxe is. De Tsjechische mijnwerkers die we spreken kunnen er wel om lachen. Ten tijde van Ceausescu werd er een stuk zwaarder aan dit soort zaken getild, leggen ze uit, maar het geld is op en ach, alles went. Er is bovendien een grondige herstructurering van de mijnindustrie op komst, en de mannen zijn dan ook blij überhaupt nog werk te hebben. Dan ga je niet moeilijk doen over wat mindere arbeids- omstandigheden. Als het tijd wordt om terug te gaan, zijn de wagonnen inmiddels volgeladen met gesteente en moeten we plat op de lading gaan liggen. “Beweeg niet teveel”, raadt Pek ons aan, “want wie de bovenleiding raakt, zal zijn mijnavontuur niet kunnen navertellen.” Met de horrorverhalen over ongelukken die hier gebeurd zijn nog vers in het geheugen, doorstaan we de anderhalve kilometer lange tocht met angst en beven. We zijn diep onder de indruk van dit staaltje van Roemeense veiligheidsmaatregelen. Wat er gaat gebeuren als binnenkort de strenge normen van de EU worden losgelaten op het Roemeense mijnwezen, wordt nog een verhaal apart. Maar de vraag is of deze mijn die tijd nog mee zal maken.


Een godvruchtig volk
In het leven van de Tsjechen in de Banaat speelt geloof een belangrijke rol. In Rovensko, Gerník, Eibenthal en Šumice zijn alleen rooms-katholieken, maar in Svatá Helena is ruim eenderde van de bevolking baptist. Dat maakt de verhoudingen tussen de dorpsbewoners er des te interessanter op. Tijdens een wandeling door het dorp knoopt een man een gesprek met ons aan. Als hij hoort dat we bij een baptistisch gezin logeren, krijgt hij op slag medelijden met ons. “Die baptisten kunnen helemaal niet van het leven genieten. Ze zitten steeds maar in de kerk, hebben nooit eens een feestje en drinken doen ze alleen in het geheim.” Mevrouw Urbánková op haar beurt geeft flink af op de katholieken, die volgens haar compleet losgeslagen zijn en een zondig bestaan leiden. Altijd maar feesten en na de mis zitten ze voor de kroeg en drinken zich lam. In beide verhalen zit wel een kern van waarheid. In een katholiek gezin maken we mee hoe moeder de vrouw haar man er flink van langs geeft als hij na de paasmis straalbezopen het huis binnenzwalkt. En de baptistenjeugd blijkt inderdaad op één dag na iedere avond in de kerk door te brengen. Onze eigen meneer Urbánek is in tegenstelling tot zijn katholieke buurman geen kroegganger, maar binnenskamers vloeit de alcohol toch rijkelijk.

Bij de mensen thuis is duidelijk merkbaar hoezeer het geloof hier verweven is met het dagelijks leven. Mevrouw Urbánková had iets gehoord over de mond- en klauwzeer- epidemie in Nederland, waarop ik haar vertel dat sommige boeren na het afmaken van hun veestapel uit pure ellende zelfmoord pleegden. Vol ongeloof staart onze gastvrouw me aan: “Dat kan toch niet waar zijn! God heeft Job ook vreselijk op de proef gesteld, maar die pleegde toch ook geen zelfmoord?” Ze vertelt ons ook dat ze altijd voor een probleem gesteld wordt als Kristina, die vegetariër is, bij hen komt eten. ”Die Kristina neemt helemaal geen vlees in de bek. Ik weet nooit wat ik voor haar moet koken. Staat er soms in de Bijbel geschreven dat je geen vlees mag eten?”

De Tsjechen en hun Roemeense landgenoten
De fris geverfde huisjes van de Tsjechen in de Banaat staan in schril contrast met de vaak slecht onderhouden woningen van de Roemeense medeburgers. De boodschap die de vriendelijk ogende Tsjechische dorpjes uitstralen is duidelijk: hier wonen geen Roemenen! Pardon, Walachiërs – Roemenië als land bestond in de 19e eeuw nog niet en de Tsjechen blijven hun landgenoten koppig en enigszins geringschattend Walachiërs noemen.

Belevenissen met de Roemenen zijn een populair gespreksthema. De fles Becherovka die we voor meneer Urbánek hebben meegebracht uit Praag, wordt enthousiast in ontvangst genomen. “Die kunnen we mooi meenemen als we weer eens naar de dokter moeten. Zonder een fles drank of een groot stuk eigengemaakte kaas krijg je daar niks gedaan.” In de mijnen had Urbanek wel contact met Roemeense collega's, maar zijn vrouw komt alleen met Roemenen in aanraking als ze op zaterdagmorgen haar zelfgemaakte kaas en room verkoopt op de markt in het 10 km verderop gelegen Moldova Noua. Echt rouwig is ze daar niet om. Ze spreekt wat misprijzend over de kinderen van buurvrouw Klepáčková, die allemaal met Walachiërs zijn getrouwd. Maar de familie Klepáček is katholiek, en daar kun je natuurlijk sowieso niet veel goeds van verwachten. Ook al zijn het dan verder beste mensen.

Ook winkeleigenaar Pepsi heeft zo zijn eigen ervaringen met het Walachische volkje. In de winkel is wel een telefoonhokje, maar telefoneren is al een tijdlang niet meer mogelijk. Een Roemeense politieagent had er een gewoonte van gemaakt tijdens zijn bezoeken aan het dorp lange telefoongesprekken te voeren en deze vervolgens niet te betalen. Daar kreeg Pepsi algauw genoeg van en met behulp van zijn dorpsgenoten bedacht hij een manier om de Walachiër te slim af te zijn. Iedere keer als de agent in aantocht was, snelde vlug iemand naar de winkel om Pepsi in te lichten. Die belde daarop snel de telefoon- maatschappij met het verzoek om de lijn tijdelijk af te sluiten. Op de standaardvraag: “Kan ik even een telefoontje plegen?” kreeg de agent dan te horen dat er spijtig genoeg weer eens een telefoonstoring was. Uiteindelijk werd het de winkeleigenaar te lastig en liet hij de telefoon maar helemaal afsluiten.

Terug naar huis
Generaties lang konden de Tsjechen in de Banaat alleen maar dromen van het land van hun voorvaderen, dat in de overlevering afgeschilderd werd als het paradijs op aarde. In 1947 kwam daar kortstondig verandering in. De Tsjechoslowaakse regering, die na de oorlog de Sudetenduitse bevolking het land uitgestuurd had, ronselde mensen om de leeggelopen grensgebieden opnieuw te bevolken. De Tsjechen uit de Banaat leken een geschikte doelgroep. Het inwonertal van de dorpen liep zo in korte tijd met eenderde terug. Mensen die hun hele leven hadden gedroomd van de terugkeer naar hun geliefde Bohemen raakten echter veelal zwaar teleurgesteld. Dat ze in huizen kwamen te wonen waarvan de bewoners met geweld weggedreven waren, hun meubels en meeste andere bezittingen achterlatend, was voor velen maar moeilijk te verwerken.

Na deze eerste uitstroom gingen de Roemeense grenzen voor lange tijd hermetisch op slot. Ceausescu, die zijn eigen mensen met ijzeren hand regeerde, liet de Tsjechische minderheid relatief met rust, maar stond reizen naar Tsjechoslowakije niet toe. Toen eind 1989 ook in Roemenië het doek viel voor het communistisch regime, kwam er een ware volksverhuizing op gang. De leegloop van de Tsjechische dorpen werd mede gestimuleerd door fabrieken als de Praagse bandenproducent Mitas, die dringend om arbeidskrachten verlegen zaten en deze persoonlijk in de dorpen kwamen werven. Praag werd zo voor velen een tijdelijke stop op weg naar de meest gewilde bestemmingsplaatsen Cheb en Žatec, waar na de oorlog al veel Roemeense Tsjechen naartoe getrokken waren.

Ook Karel, de jongste zoon van de familie Urbánek, werkt al jaren in de Praagse bandenfabriek. Geen prettig werk, maar beter dan niets. Hij woont in een onderkomen voor met name buitenlandse werklui, meest Oekraieners en Russen. Tijdens de laatste maaltijd in ons gastgezin horen we opeens een zacht gesnif. Mevrouw Urbánková haalt haar zakdoek tevoorschijn en zegt met tranen in haar ogen: “Hier zitten we dan - het is paasmaandag en we hebben zoveel lekkers te eten en drinken, maar onze Karel, die zit in Praag in dat kleine kamertje van hem en wat eet hij vandaag? Kwam hij maar weer terug”

Toch wil de familie Urbánek zelf ook weg uit Svatá Helena. Het wachten is alleen nog op een verblijfsvergunning voor de oudste zoon, die verstandelijk gehandicapt is. Juist hij is de grootste drijfveer achter hun wens het land te verlaten. Alois jr. spreekt geen Roemeens en zou na het overlijden van zijn ouders in een tehuis terecht komen, waar hem niet veel goeds te wachten zou staan. Zelf heeft hij weinig benul van de naderende veranderingen, maar zijn ouders, die er weliswaar vanuit gaan dat ze in Tsjechië als tweederangsburgers zullen worden behandeld, verheugen zich op de luxe van een doorspoelwc en centrale verwarming. Oud worden is in de Banaat niet makkelijk.

Drie jaar en vele vergeefse pogingen om de nieuwe verblijfsplaats van ons gastgezin op te sporen later. Tot mijn grote verrassing krijgen we met Kerst een brief van meneer Urbánek. Ze wonen al tweeënhalf jaar in Cheb, schrijft hij, en we kunnen ze bereiken op een mobiel nummer of vaste lijn. Denkend aan het lot van de telefooncel in Svatá Helena kan ik een glimlach niet onderdrukken. Op een zaterdag in maart zoeken we ze op in hun kleine flatwoning. Mevrouw Urbánková bekijkt de foto's die we meebrengen steeds opnieuw. Op de foto van het mandoline-orkest uit de baptistenkerk wijst ze aan wie er inmiddels allemaal naar Tsjechië vertrokken zijn. Er is vrijwel niemand overgebleven.

En hoe bevalt het leven in het land waar de Roemeense Tsjechen al die tijd zo naar hebben verlangd? Werk is in Cheb schaars. Meneer Urbánek heeft anderhalf jaar als schoonmaker op het station gewerkt en daar alleen nachtdiensten gedraaid. Nee, dit werk wil eigenlijk niemand doen. Desondanks moest hij weg van de arbeidsinspectie, omdat hij officieel al met pensioen is. Sindsdien hebben al veel jonge mensen zijn baan voor een tijdje uitgeprobeerd en er gauw weer de brui aan gegeven. Bij het station zouden ze meneer Urbánek het liefst direct weer in dienst nemen. Mevrouw Urbánková werkt als schoonmaakster in een restaurant en heeft in ruim twee jaar tijd nog maar twee keer een dag vrij gehad. Ze staat 's morgens om vier uur op en komt rond tienen weer thuis, dag in dag uit, zaterdagen en zondagen inbegrepen. Ik vraag haar hoe ze dat vol kan houden. “Ach, het maakt me niet uit. Hier in de flat zou ik me maar vervelen de hele dag.”

Meneer Urbanek vertrok in de zomer van 2004 naar Roemenië om wat formaliteiten te regelen en verbleef ruim twee maanden in Svatá Helena. Als zijn vrouw niet in Tsjechië was achtergebleven, was hij nooit meer teruggegaan, zegt hij. Ja, natuurlijk was het leven in de Banaat hard, de winters koud en de zomers heet. Natuurlijk was er dat verlangen naar stromend water en cv. Maar de consumptiemaat- schappij die in post-communistisch Tsjechië razendsnel zijn intrede heeft gedaan, heeft zijn schaduwkanten. Waar is er de gemoedelijkheid van het leven in de Banaat, het warme sociale leven, de hechte geloofsgemeenschap. Als meneer Urbánek in Cheb over straat loopt groet niemand hem. En de baptistengemeente die de Roemeense Tsjechen hier hebben opgericht is veel te los, vertelt mevrouw Urbánková. Desondanks heeft zij het in Cheb wel naar haar zin. Haar dochter en schoonzoon en hun twee kinderen, die een paar straten verderop wonen, ziet ze bijna dagelijks. Ook zoon Karel kan ze nu af en toe eens verwennen met een ouderwets stevige maaltijd. En de dagelijkse tocht van 2 kilometer die ze in Svatá Helena moest maken om drinkwater te halen bij de dorpsbron, die mist ze absoluut niet.

Het is een kwestie van tijd tot de laatste inwoners van de vijf dorpen in de Banaat hun biezen pakken om naar Tsjechië of een nabijgelegen Roemeense stad te vertrekken. Als ook de overgebleven ouderen een stille dood zullen sterven, blijven levenloze spookdorpen over. Te afgelegen om interessant te zijn voor Roemenen om zich er te vestigen, te ver weg voor grote aantallen toeristen om er hun vakantie door te brengen. Sommige ontwikkelingen zijn niet tegen te houden, moet je als romantische ziel onder ogen kunnen zien. Maar jammer blijft het.

 

Het bizarre lot van de stad Most

De machthebbers van het voormalig Oostblok hebben nooit bekend gestaan om een overdreven liefde voor monumenten en stedelijk schoon. In de 40 jaar communisme werd aan onderhoud weinig tot niets gedaan. Vervallen kastelen werden vaak ingericht als archief, bejaardenhuis of zelfs varkensstal. Vele oude gebouwen hebben het veld moeten ruimen voor hoogstandjes van socialistisch functionalisme. Maar het kon nog veel erger. De oude stad Most, gelegen in Noord-west Tsjechië, werd door de communisten met de grond gelijk gemaakt.

1. Deze stad staat in de weg

Dat de geschiedenis van Most teruggaat tot de dertiende eeuw, is vandaag de dag moeilijk voor te stellen. De stad bestaat vrijwel alleen uit de uniforme hoogbouw, die voor de voormalige Oostbloklanden zo typerend was en is. Wat er met de oude stad gebeurd is, is een ongelofelijk verhaal – zij moest wijken voor de bruinkoolwinning.

De oorspronkelijke stad Most lag op een dertig meter dikke laag bruinkool, een veelgebruikt stookmiddel in socialistisch Tsjechoslowakije. Om de 100 miljoen ton brandstof boven de grond te kunnen krijgen, besloot de Tsjechoslowaaks regering in oktober 1962 tot de afbraak van het oude Most en de bouw van een nieuwe stad enkele honderden meters verderop. Men vergoelijkte dit verlies van een stuk historisch erfgoed door ook de vervallen staat van de stad als argument aan te voeren. De woningvoorraad, openbare gebouwen, riolering en het wegennet waren volgens "deskundigen" zo verwaarloosd, dat restauratie en renovatie duurder zouden zijn dan de bouw van een geheel nieuwe stad.
De historische stadskern werd daarom enkele jaren voor de sloophamer daadwerkelijk toe zou slaan al ontoegankelijk verklaard. Filmproducenten maakten gretig gebruik van de spookstad die zo ontstond en maakten er unieke opnamen voor detectiveseries en de oorlogsfilm All Quiet on the Western Front.

Van de vele architectonisch waardevolle gebouwen overleefde, behalve de burcht Hnevin hoog boven de stad, alleen de van 1517 daterende gothische Maria Hemelvaartkerk. Deze werd in 1975 op ingenieuze wijze verhuisd naar een plaats 850 meter verderop. Aan de rand van het bruinkoolwinningsgebied werd dit monument vlak naast een fabriek neergezet, gescheiden van de stad door een breed veld van spoorlijnen en een grote autoweg. Een eenzame lokatie voor een eenzaam overblijfsel van het oude Most.

De nieuwe stad werd een karakterloos geheel van louter hoogbouw. Samen met de omringende bruinkool- winningsgebieden en grote industriecomplexen biedt het een troosteloze aanblik. Toch concludeert Fröhlichová in een optimistische publicatie over Most uit 1977: "De laatste overblijfselen van de oude mijnstad Most zullen in de komende jaren verdwijnen, maar het leven van de stad zal doorgaan. De mensen die hun thuis overbrachten van het oude naar het nieuwe Most zullen een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van hun stad schrijven en hun werk voor de voorspoed en gelukkige toekomst van hun socialistische geboorteland voortzetten.”

Een deprimerend bezoek
In 1994 stapte ik op een zonnige morgen op de bus van Praag naar Most. Het contrast had niet scherper kunnen zijn. Nog geen anderhalf uur later arriveerde ik in een somber Most, bedekt door een dikke deken van smog. Het enorme verlaten busstation waar ik uitstapte, maakte de deprimerende eerste indruk van de stad compleet. Met gemengde gevoelens waagde ik me aan een wandeling door de uitgestrekte flatwijken, op zoek naar het stadscentrum. Zonder resultaat. Ik besloot daarom de tram naar het nabijgelegen Litvínov te nemen. De halte waar ik opstapte was door kinderen met vrolijk kleuren beschilderd. Al gauw bleek dat de stadsbewoners die dezelfde route iedere ochtend naar hun werk nemen verder weinig opwekkends te zien krijgen onderweg. De aanblik van enorme bruinkoolafgravingen en petrochemische industriecomplexen maakten mijn stemming er niet beter op. Wat een bolwerk van ontmoedigende lelijkheid.

2. Het geluk van de socialistische burger

De leiding van socialistisch Tsjechoslowakije deinsde er niet voor terug een stad van destijds 50.000 inwoners af te breken en weer opnieuw op te bouwen. Een klus die vele miljarden kronen heeft gekost, maar desondanks een succes werd. Gemeten naar Oostblokmaatstaven althans: de opbrengst van de afgegraven bruinkool oversteeg het totaal aan gemaakte kosten met bijna 3 miljard kronen. Dat vele duizenden mensen hier hun thuis voor moesten opgeven, is nooit een serieus punt van aandacht geweest.

Hoe het megaproject destijds aan het volk gepresenteerd werd, wordt me duidelijk als ik de Maria-Hemelvaartkerk binnenloop. Bezoekers krijgen hier een staatsfilm uit 1988 te zien, die haar kijkers een duidelijke boodschap meegeeft: “wij hebben een enorme voorraad bruinkool voor u boven de grond gehaald en u zo werkgelegenheid en een warmgestookt thuis bezorgd. In onze oneindige goedheid hebben wij bovendien deze kerk voor u weten te redden.”

Het zal niemand meer verbazen dat de bewoners van het oude Most niet naar hun mening over de sloop van hun stad is gevraagd. Inspraak was irrelevant, omdat de staat beter dan haar burgers zelf wist wat goed is voor de socialistische mens. Ja, met deze alvoorzienende verzorgingsstaat mocht men zich gelukkig prijzen.

Verhuizen naar konijnenhokken
Nieuwsgierig geworden naar de ervaringen van de doorsnee Mostenaar, bracht ik in de zomer van 1994 opnieuw een bezoek aan de stad. Ik sprak er met een aantal mensen dat de vernietiging van de stad aan den lijve had ondervonden.

Mevrouw Hana P. vertelt: “We zijn ooit in Most komen wonen omdat we hier zonder problemen een woning konden krijgen. Omdat het gebied door de bruinkool en industrie van groot economisch belang was, investeerde de staat veel in woningbouw. Over de afbraak van de oude stad was toen al beslist. Dat was geruisloos gegaan, want er waren maar heel weinig mensen die iets tegen de beslissingen van de communisten in durfden te brengen. Wie protesteerde werd opgesloten of werd ontslagen en kon dan alleen nog minderwaardig werk doen."

Haar man Pavel voegt daaraan toe: "Toen we hier kwamen wonen was er vlakbij een mooi park met grote oude bomen en een leuk restaurantje in het midden. De communisten vonden het helaas niet nodig dat daar een park was, dus zetten ze op die plaats afschuwelijke flats en een lelijk cultureel centrum neer. Het milieu en stedelijk schoon, daar was niemand in geinteresseerd."

Milada P. schetst de sloop van de stad vanuit een andere invalshoek. “In 1962 verhuisde ik met mijn man naar Most, waar we als arts beiden werk kregen. Het inwonertal van de stad groeide indertijd erg snel, omdat er zoveel werkgelegenheid was. Most van oorsprong een typische Sudetenstad met voornamelijk Duitse bevolking. Na de Tweede Wereldoorlog waren alle Duitsers het land uitge-stuurd en had de staat er alles aan gedaan om nieuwe mensen naar de stad te lokken. Toen besloten werd het oude Most af te breken, ging dan ook niemand daar tegenin, omdat de meeste mensen er nog maar kort woonden en niet echt een emotionele band met de stad hadden. Ik heb me er ook niet druk over gemaakt, omdat ik al van de afbraakplannen wist toen we er kwamen wonen. Zelf kwamen we in één van de eerste, toen nog vrij lage flats terecht.
Mensen die er wel moeite mee hadden, hadden sowieso geen schijn van kans gehad met protest, want bruinkool ging vóór alles. Het leverde natuurlijk ook veel werkgelegenheid op. Aantrekkelijk werk was het niet, maar tijdens het communisme genoten arbeiders en vooral mijnwerkers alle mogelijke voordelen. Ze verdienden meer dan wij als arts en konden op hun 45e al met pensioen. Ook de stadsbewoners die niet in de mijnbouw werkten hadden het niet slecht. De regering was zich er terdege van bewust dat het door de bruinkool en industrie sterk vervuilde gebied geen ideale leefomgeving vormde. Daarom hadden alle inwoners recht op een jaarlijkse “stabiliseringstoelage” van ongeveer 2000 kronen. Dat was in die tijd veel geld. Wij noemden dat voor de grap begrafenisgeld. De levensverwachting lag er inderdaad ook een stuk lager dan in de rest van het land. Verder kregen kinderen op school gratis gezonde tussendoortjes als yoghurt en sinaasappels en konden vaker op schoolkamp in een gezonde omgeving en voor weinig geld op vakantie naar zee.”

Dat niet iedereen even rouwig was om de verhuizing, blijkt ook uit het verhaal van Jana K.: "In het oude Most werd sinds de communisten in 1948 aan de macht waren gekomen niets meer aan onderhoud gedaan. De stad verkeerde in abominabele staat. Om sommige bouwvallen stonden grote hekken om te voorkomen dat men er naar binnen zou gaan. Veel mensen waren daarom blij dat ze een nieuwe woning met centrale verwarming en altijd warm water kregen. Wat de verhuizing van de stad daadwerkelijk inhield, daar werd men zich pas later van bewust."

In de communistische tijd werden in Tsjechoslowakije vrijwel alleen flats gebouwd, door de Tsjechen spottend konijnenhokken genoemd. Ook de inwoners van Most mochten nu proeven van de nadelen die deze woonvorm met zich meebrengt.

Marcela J.: "In de flats wonen veel mensen dicht bij elkaar, maar de sociale afstand tussen mensen is heel groot. Ik kom uit één van de twintig omliggende dorpen die ook moesten wijken voor de bruinkool. Iedereen kende elkaar daar en dat mis ik hier enorm. Ik groet de buren hier wel, maar ze antwoorden niet. Niet eens uit onvriendelijkheid, maar gewoon omdat ze geen reden hebben om iets terug te zeggen."

Men moest ook wennen aan de uniformiteit van de nieuwe woonomgeving. "De flats zijn grijs en lelijk. Het lag wel in de planning om ze kleuren te geven en zo wat onderscheid aan te brengen, maar dat ging niet door. Nu verdwaal je in die zee van hoogbouw. De ene kant van de straat is het spiegelbeeld van de andere. Het enige verschil zit in de huisnummers."

3. Kinderen van het nieuwe Most

De gewonnen bruinkool is inmiddels allang opgestookt, maar de treurige herinnering aan het oude Most leeft nog in velen voort. Jaroslav Cervenka, geboren in het nieuwe Most, schrijft in zijn scriptie over de afbraak van de oude stad: “Qua woonomstandigheden ging men er weliswaar op vooruit, maar dat woog niet op tegen de schade die elders werd aangericht. Mensen werden met geweld weggerukt uit de omgeving waar ze opgegroeid waren, werkten en hun sociale contacten hadden. De inwoners van het nieuwe Most hebben daarom nauwelijks een band met hun stad.”

Ook Petr L. is een kind van het nieuwe Most. “Ik voel een sterke band met het oude Most. Jammergenoeg heb ik nooit door haar straten kunnen wandelen, behalve dan in mijn dromen en fantasieen. Wat voorgoed verdwenen is, komt nooit meer terug.”

Martin S. is opgegroeid in de villawijk van het oude Most. “Op een dag kwamen die verdomde communisten om ons weg te jagen en ons huis op te blazen. Omdat we niet in de lelijke nieuwe flatstad wilden wonen, verhuisden we naar een klein huisje in het dorpje Lipetín. Toen we daar een jaar woonden werd ook dit dorp met de grond gelijk gemaakt en werden we opnieuw gedwongen te verhuizen. Uiteindelijk zijn we in Litvínov terecht gekomen.”

Een andere kijk op de stad
Een aantal jaar geleden boden mijn man en ik een jongen uit Most aan om een tijdje bij ons in huis te komen wonen. Dat leverde mij een geheel nieuwe kijk op het leven in Most op. Martin had daarvoor in Zizkov, een typisch Praagse volksbuurt gewoond, en was zielsgelukkig dat hij bij ons weer in een flat terecht kwam. "Eindelijk voel ik me weer thuis."

Toen ik in 1999 zijn familie in Most bezocht, viel het me op hoezeer de mensen die ik ontmoette een band met hun stad hadden. Trots op beroemde stadgenoten als zangeres Ilona Csakova, wereldberoemd fotomodel Eva Herzigova en bekende ijshockeyspelers stak men niet onder stoelen of banken. Ook het sociale leven van deze mensen was veel levendiger dan ik had verwacht. Zelfs in een stad als deze zijn mensen dus in staat een opgewekt leven te leiden. Maar dat is de Tsjechen misschien ook wel eigen. Ze zeggen vaak met de nodige zelfspot dat zij meesters zijn in het zich aanpassen aan veranderende omstandigheden. Of men nu de wet voorgeschreven kreeg door de Habsburgers, fascisten of communisten, altijd wist men zich wel een weg te vinden om toch een relatief normaal bestaan op te bouwen.

De flats was het inmiddels wel aan te zien dat ze destijds in recordtempo uit de grond waren gestampt. Zowel van binnen als van buiten waren ze onderhand hoognodig aan een uitgebreide opknapbeurt toe. De omgeving daarentegen was er erg op vooruit gegaan. De openbare ruimte tussen de flats was al een stuk groener en minder kaal. Maar de grootste verrassing wachtte me toen ik een kijkje bij de beroemde kerk ging nemen. Waar vlakbij nog niet al te lang geleden het uitgestrekte maanlandschap van bruinkoolafgravingen begon, ontwaarde ik nu een parkachtig gebied met frisse nieuwe aanplant van gras en boompjes. Most begon zich in mijn ogen langzaam maar zeker te ontpoppen tot een stad met een menselijk gezicht.

Een nieuwe beproeving
Het zou echter voorbarig zijn om nu over te lopen van optimisme. Na de omwenteling van 1989 werd Most opnieuw zwaar getroffen. Ditmaal door een tijdens het communisme onbekend fenomeen: werkloosheid. Op het moment bedraagt deze ruim twintig procent. De oorzaak ligt voor de hand. Bruinkool is als onpraktisch en sterk vervuilend stookmiddel uit de mode geraakt en ook veel van de industrie uit de omgeving van de stad is sterk op zijn retour. De weinige buitenlandse bedrijven die de regio aan heeft weten te trekken, maken graag gebruik van de situatie en bieden minimale lonen aan. Er zijn immers werkzoekenden genoeg.

Steeds meer bewoners besluiten dan ook hun stad de rug toe te keren en zich te vestigen op plaatsen die meer werkgelegenheid en een aangenamere leefomgeving bieden. De verwachting is dat deze trend zich in de toekomst in versterkte mate door zal zetten.

Most anno 2005
Voor het eerst in zes jaar ga ik terug naar Most. Als we de eerste flats ontwaren tegen de achtergrond van het schitterende Ertsgebergte, geven die nog steeds een even misplaatste indruk. Maar we komen dichterbij en zien dat her en der opgeknapte flatgebouwen de stad al een wat fleuriger aanzien geven.We rijden langs de industriecomplexen, die nog altijd even lelijk zijn. Maar de stoffen die ze de lucht instoten zijn al een stuk minder schadelijk dan nog maar een paar jaar geleden. Even verderop staat nog steeds zo'n kolossale machine waar de bruinkool mee uit de grond werd gehaald. Een wegroestende herinnering aan een bruin verleden, want dienst doet hij niet meer. Rondom het gevaarte ligt nog een klein stukje van het ooit zo luguber aandoende maanlandschap. Maar ook dat zal binnen afzienbare tijd gerecultiveerd worden en deel uit gaan maken van een uitgestrekt natuurgebied met nieuwe wijnaanplant, meren, wandel-, fiets- en ruiterpaden.

En de Maria Hemelvaartkerk? Die staat nog steeds buiten de stad, dat wel. Maar zij wekt niet meer de indruk hier maar neergeplant te zijn bij gebrek aan een betere lokatie. Op een terrasje naast de kerk nemen we de omgeving in ons op. Mooie nieuwe bestrating. Onlangs gerestaureerde beelden. Frisse groenaanplant. Een leuke speelplaats voor kinderen. Het is een oase van rust en ontspanning geworden.

Natuurlijk, de stad gaat nog steeds gebukt onder de last van haar verleden. Maar het stadsbestuur stelt alles in het werk om Most tot een leefbaar oord te maken. Het meest indrukwekkende project moet nog gerealiseerd worden. Geinspireerd door het miniatuurpark Klein-Erzgebirge in het nabijgelegen Duitse Oederan, heeft men het plan opgevat om de oude stad Most in het klein te herbouwen. De lokatie voor dit park had men niet symbolischer kunnen kiezen. Mini-Most moet verrijzen op de plaats waar de bruinkool inmiddels gedelfd is, in de nabijheid van de verplaatste kerk.

Misschien dat dit projekt ook iets van de heimwee van Petr L. weg kan nemen. “Ik ben bang dat er wel wat tranen zullen vloeien als ik het schaalmodel van de oude stad voor het eerst ga bekijken. Wat verheug ik me op het moment dat we ons geliefde oude Most eindelijk weer terug zullen zien.”

Foto's uit Most van augustus 2005 staan op: www.diorama.cz/most

This page is powered by Blogger. Isn't yours?